DOOR ANN SAELENS
Leestijd: 6 minuten.
Het is voor het eerst dat ik mijn jonge leerlingen in het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) volledig een eigen creatie op poten liet zetten. Ik begaf me dus op ongekend terrein, maar voelde me flink geïnspireerd door de vele observaties die we als onderzoekers deden in het werkveld (niet in het DKO, waar deze praktijk tot op vandaag niet zo vaak voorkomt). Ik wou eigen gewoontes en strategieën in mijn lessen wat op de helling zetten en dat wat ik als zinvol en inspirerend ervaarde bij het zien van de verschillende good-practices trachten te implementeren. Dat leidde naar mijn aanvoelen tot een soort stuntelen, want wat ik beoogde had soms een ander effect. Ik maakte na elke les notities.
Dit verslag is slechts een poging te omschrijven wat er gebeurde, waarin ik tracht te begrijpen en te ontrafelen, en dit sterk gekleurd door de verschillende emoties die met dit proces gepaard gingen: tevredenheid en enthousiasme, maar ook frustratie, faalangst en zelfs lichte wanhoop. Ik ben mijn leerlingen dankbaar voor dit proces, ik heb veel van hen geleerd. Het was ook voor mij in zekere zin een maakproces.
Na afloop interviewde ik mijn leerlingen, enkele uitspraken van hen zijn ook opgenomen in het dagboek. Het dagboek volgt het proces en verschijnt in verschillende korte delen op de blog. Dit is deel 1.
De eerste les: STARTEN
Het is wat tegen mijn natuur want ik heb een voorliefde voor teksten en ik vertrek graag vanuit tekstmateriaal, maar vandaag start ik een solo-project op met mijn klassen en dat zonder één woord op papier. Ik begin wel met een tekening op de grond: de omtrek van een lichaam, van een lijk.
Mijn leerlingen zullen elk individueel een solo maken.
Mijn bedoeling is het project zo te organiseren dat ze allemaal zullen moeten samenwerken. Met een pleidooi voor collectiviteit en solidariteit tijdens het maken in gedachten, beslis ik dat ik een gezamenlijke fysieke opwarming/start wil doen bij de aanvang van elke les. Ik hoop dat deze ervaring zal bijdragen tot het collectief proces in het maken van de solo. Bovendien kies ik voor een zuiver fysieke en ‘ruimtelijke’ opdracht omdat ik vind dat mijn jonge leerlingen ook ervaring missen met het gebruik van het lichaam in de ruimte. Ik zou nu nog meer creatie in de ruimte én fysiek/abstracte experimenten willen uitlokken. Ik heb de hoop dat als de leerlingen binnenkort ook teksten zullen maken, de ervaring van het experimenteren op de vloer niet verloren zal gaan en ze het als meer evident zullen beschouwen om ook vormelijk/abstract werk te maken én te denken in actie. Want ook dat is mijn ambitie: hen doen maken al doende.
Mijn opdracht bij aanvang van de les bestaat uit verschillende fases:
Kies een muzieknummer. Experimenteer op dit nummer met je lichaam in de ruimte. Gebruik parameters van bewegen: sneller, trager, lichter, zwaarder, hortend, stotend, lager, hoger…
Ik zeg bijvoorbeeld: “Doe nu 10 tellen iets traag en wissel dan met een andere parameter, kies daarna ook zelf het aantal tellen dat je iets wil uitproberen. Kijk nu niet bewust naar elkaar, experimenteer op je gevoel.” Of ik vraag hen om één beweging een aantal tellen te herhalen in verschillende modi (traag, zwaar, licht, breed, …) of intensiteit.
Kies één of meerdere bewegingen. Maak samen een bewegingssequentie die een aantal tellen duurt. Doe dit niet door er over te staan praten, maar probeer meteen uit op de vloer.
Aan deze opdracht koppel ik enkele extra voorwaarden:
Iedereen gebruikt één van zijn eigen bewegingen en leert er één aan de groep aan;
Er moet een variatie van tempo zijn;
Er moeten een aantal tellen simultaan gebeuren door twee of meerdere spelers.
Ze krijgen maar een kleine tien minuten om voor te bereiden, ze moeten snel knopen doorhakken.
Toon de sequentie aan mij.
Ik benoem nadien enkel kort wat ik sterke theatrale momenten vind en vraag dan om ze de volgende keer bewuster te gebruiken. Ik zoom daarbij in op dramaturgische elementen waarvan ik vermoed dat ze me van pas kunnen komen in een assemblagefase van een werkproces. Bijvoorbeeld: sterke werking van contrast, herhaling, evolutie, verrassing, variatie, gebruik van de ruimte, …
Toon de sequentie nog één keer als een afgewerkt product, als iets waar jullie bij wijze van spreken maanden aan gewerkt hebben. Toon wat jullie hebben met trots aan het publiek.
Ook al hebben ze er amper 10 minuten aan gewerkt, ik vraag hen om me in de luren te leggen en me te overtuigen van hun product. Ik hoop hiermee focus in uitvoering uit te lokken en de eigen korte creatie als iets waardevol te zien.
De eerste les start dus meteen met het maken van een eerste bewegingssequentie. Ik leg nadien uit waarom ik ook de volgende lessen zo wil starten. Ze zijn enthousiast. In de volgende lessen wil ik steeds andere voorwaarden aan de bewegingssequentie koppelen. Voorbeelden van mogelijke voorwaarden die ik nog wil gebruiken:
Er moet een solo-moment inzitten van één of meerdere spelers; Er moet een stop/breuk inzitten die me verrast;
Er moet een contrast te zien zijn tussen de verschillende bewegingen;
Er moet een moment inzitten dat ik me als publiek geviseerd voel;
De volledige ruimte moet benut zijn;
Je vertrekt op een positie waar je niet eindigt;
Verras mij met nieuwe bewegingen die ik nog niet van je zag;
Zorg voor een canon-herhaling, …
Vandaag krijgen ze nog de eerste drie opdrachten ter voorbereiding voor de solo-opdracht. Ik beslis om opdrachten te geven die hen telkens op een andere manier laten werken: spelen, schrijven en tekenen. Ik hoop hiermee te differentiëren en af te wisselen in de maakopdrachten. Ik denk nu dat ik dat de volgende lessen ook wil volhouden. Bovendien wil ik dat ze durven én kunnen starten, ik hoop dat mijn opdrachten hen meteen aan het werk zetten en dat ze niet zullen zeggen “ik weet niet wat ik moet doen”. De eerste opdracht is met zijn allen samen. Ik hoop dat de durvers in de groep, hierdoor de meer timide leerlingen op sleeptouw zullen nemen.
Ga allemaal samen op de vloer. Om beurt valt er iemand in een bepaald ‘lijkvorm’ neer op de vloer. Spreek niet af wie, laat het gebeuren. Reageer om beurt op wat je ziet, je hoeft niet te spreken, maar tracht het zoveel mogelijk te doen. Geef elkaar ruimte om te reageren. Leg het tempo niet te hoog.
Ik geef een paar voorbeelden: “Dit is Jef, hij is verongelukt met de fiets en was 15 jaar, hij was mijn vriend” of “Dit is Jeanine, ze kreeg een hartaanval in haar keuken, ze was mijn buurvrouw”, … Het loopt goed en iedereen werkt enthousiast mee. Ze vinden de improvisatie leuk om te doen en ze verzinnen best verrassende ideeën voor de lijken. Iedereen valt wel eens dood neer, iedereen verzint redenen voor de sterfgevallen. Na de opdracht toon ik enthousiasme voor hun vondsten. Ik geef nauwelijks feedback, maar ondersteun en geef vertrouwen door positief te reageren op alles wat ze doen. Dat is niet moeilijk, het is een drukke, plezierige les.
Hoe kan een verhaal op een verrassende manier beginnen? Maak elk gedurende 10 minuten een lijst met intrigerende eerste zinnen voor een verhaal.
We lezen nadien de zinnen aan elkaar voor en bespreken kort welke zinnen ze interessant vinden en waarom.
Maak een tekening van een lijk. Wie is het, wat gebeurde er?
De les eindigt met een opdracht voor thuis.
Bedenk een eerste idee. Wie ben je en wat zou je willen vertellen over jouw lijktekening? Breng een voorwerp mee, een voorwerp dat je zou kunnen gebruiken in de solo.
Ik was vrij zeker van mijn aanpak met begrenzingen en deadlines voor de opdrachten, maar ik twijfel nu toch. Is alles niet téveel afgelijnd? Geef ik hen wel genoeg ruimte om te experimenteren zoals zij dat zouden willen en kunnen? Zijn er niet te veel “opdrachtjes” waardoor ik toch best sturend ben? En vooral: wil ik niet te veel in één keer? Ik wil dat ze begrijpen dat ze niet altijd éérst moeten denken en dan pas doen. Ik wil dat dit creatieproces een collectief proces wordt. Ik wil dat ze begrijpen dat niet alle beweging/actie op de vloer het gevolg is van het ‘uitbeelden’ of ‘interpreteren’ van een tekst. Ik besef dat ik veel valkuilen probeer te vermijden en veel van wat ik geobserveerd heb tijdens het onderzoeksproject wil uitproberen. Misschien verlang ik te veel van deze jonge spelers? En dat allemaal binnen één grote solo-opdracht. En gaat het niet te snel?
Maar bon, ze zijn vertrokken. En ik ook.

De wekelijkse experimentlessen gaf ik in mijn eigen klassen woordlab 3.3 (5 leerlingen) en theater 4.1 (4 leerlingen) in de Academie voor muziek, woord en dans van Dendermonde. Deze leerlingen zijn tussen 14 en 16 jaar oud. Mijn lessen vonden plaats op maandagavonden van september tot december 2022. Ik geef in blokken van twee uur les aan deze leerlingen, soms gebruikte ik de volle twee uur, maar door andere projecten besteedde ik meestal ongeveer 1 uur les per week per klas. Ik kondigde dit experiment aan op deze blogpost.
Het gebruik van een lijktekening als startpunt voor een solo is gebaseerd op een opdracht van theaterdocent Barbara De Meyere en haar collega’s uit de Kunstacademie van Zwevegem.
Ik zag Georgina Del Carmen Teunissen aan het werk bij Transfocollect in Brussel tijdens het begeleiden van studenten in het RITCS. Nadien interviewde ik haar ook voor de podcast Drie in Dertig. Ze inspireerde me met haar pleidooi voor meer collectiviteit in maakprocessen. Ze benoemde in mijn ogen terecht die neiging ‘om te denken over de kunstenaar als iemand die een eenzaat is die vanuit een grote concurrentiestrijd moet denken in een productiemaatschappij’. Haar verzet daartegen onderschrijf ik en ik wil net als haar het leerproces zien ‘als een gemeenschapsvorming van medemakers: het opbouwen van een artistieke omgeving waarin je je niet alleen hoeft te voelen.’
Ik haal mijn mosterd voor de fysieke insteek in mijn startopdrachten bij het begin van elke les uit het observeren van maakprocessen bij DEGASTEN in Amsterdam. Alhoewel mijn opdracht anders is dan de opdrachten die ik bij DEGASTEN zag, is het vertrekpunt ook dans en beweging. Op die manier wordt het maken meteen actie op de vloer en een stuk abstracter. Ook Jonathan Burrows zag ik werken met het maken van korte bewegingssequenties. Hij liet de spelers volgens een strikt aantal ‘tellen’ bewegingen verzinnen en monteren en besprak nadien met hen de momenten waar er interessant materiaal ontstond.
Meermaals merkten we in de observaties én lazen we in de literatuur hoe het afbakenen van opdrachten en het geven deadlines juist een trigger kan zijn om creatief denken te stimuleren. Bijvoorbeeld in het boek “And then it got legs” van Jeroen Peeters, hoofdstuk 2.9: “Personal freedom is quite a difficult thing to define. When we can have or do whatever we want, we lose all desire and end up wanting nothing. For me constraints, structures and boundaries are important parts of feeling what I call the personal freedom to accept or refuse.”