DOOR ANN SAELENS
Leestijd: 5 minuten.
Het is voor het eerst dat ik mijn jonge leerlingen in het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) volledig een eigen creatie op poten liet zetten. Ik begaf me dus op ongekend terrein, maar voelde me flink geïnspireerd door de vele observaties die we als onderzoekers deden in het werkveld (niet in het DKO, waar deze praktijk tot op vandaag niet zo vaak voorkomt). Ik wou eigen gewoontes en strategieën in mijn lessen wat op de helling zetten en dat wat ik als zinvol en inspirerend ervaarde bij het zien van de verschillende good-practices trachten te implementeren. Dat leidde naar mijn aanvoelen tot een soort stuntelen, want wat ik beoogde had soms een ander effect. Ik maakte na elke les notities.
Dit verslag is slechts een poging te omschrijven wat er gebeurde, waarin ik tracht te begrijpen en te ontrafelen, en dit sterk gekleurd door de verschillende emoties die met dit proces gepaard gingen: tevredenheid en enthousiasme, maar ook frustratie, faalangst en zelfs lichte wanhoop. Ik ben mijn leerlingen dankbaar voor dit proces, ik heb veel van hen geleerd. Het was ook voor mij in zekere zin een maakproces.
Na afloop interviewde ik mijn leerlingen, enkele uitspraken van hen zijn ook opgenomen in het dagboek. Het dagboek volgt het proces en verschijnt in verschillende korte delen op de blog. Dit is deel 3.
DEEL 3: Het eerste idee op de vloer
Vandaag begin ik aan de derde les. Ook in les 1 en les 2 startte ik steeds met bewegingssequenties. Het improviseren en overleggen gaat steeds beter, de leerlingen begrijpen dit nu echt goed. Ik stuur wel bewust bij in hoe er overlegd kan worden: sommigen moeten uitgenodigd worden om meer inbreng te geven, anderen om minder aanwezig te zijn in het overleggen omdat ze bijvoorbeeld te veel alles alleen gaan bepalen. Op die manier komt er meer inbreng van iedereen in de groep.
Integreer vandaag in je bewegingssequentie één dialoog tussen twee of drie spelers, waarbij het voorwerp uit je solo een rol speelt. Gebruik ook elk maximum twee zinnen die te maken hebben met de eigen solo.
Ik probeer vandaag het onderzoek voor de solo ook een plek te geven tijdens de bewegingssequenties in de hoop nog meer experiment met materiaal voor de solo op de vloer te bekomen. Door het deel te laten zijn van deze aparte opwarmingsopdracht in het begin van de les, wil ik benadrukken dat we moeten blijven materiaal genereren, materiaal dat we ook met gemak weer kunnen weggooien, dus zonder het doel het te moeten gebruiken.
De twee sequenties die ik vandaag zie, zijn best interessant om naar te kijken, het nabespreken verloopt ook veel vlotter, ze hebben nu goed door waarom ik ergens op inzoom. Bijvoorbeeld het simultaan gebruiken van twee mensen die dialogeren terwijl een derde in een loop een zin herhaalt, werkt sterk. We ontleden hoe dat komt, hoe de herhaling ervoor zorgt dat ik toch de dialoog van de anderen kan volgen. Ze beginnen tot mijn plezier makersogen te ontwikkelen.
Toon aan de groep op de vloer wat je bedacht hebt als eerste idee voor je solo.
Na hun presentaties geef ik geen feedback. Ik zal tegen volgende week een individuele opdracht bedenken voor elk van hen aan de hand van wat ik nu zie en hoor. Toch reageren de leerlingen meteen spontaan op elkaars ideeën meestal in de trant van ‘Oh, zo’n tof idee!’. Ik voel meteen, ook al wou ik dit uitstellen door onder andere zelf niet te reageren, hoe de mening van de ander onherroepelijk de kop opsteekt en hen beïnvloedt. Sommigen zijn duidelijk onder de indruk van een bijzondere vondst van een ander en vinden plotsklaps hun eigen idee minder interessant. Ze zeggen dit ook luidop en hun non-verbale reacties spreken boekdelen. Ik hoor mezelf proberen ontkennen dat er minder waardevolle ideeën zouden bij zijn, ook al hebben ze misschien gelijk, want ook ik vind niet elk idee even bijzonder. Ik vergeet te benoemen dat wat ze nu brengen ‘een vertrekpunt’ is en dus nog sterk kan evolueren. Ik trap integendeel in de val hen gerust te stellen door te liegen over de potentie van elk idee op zich. Ze zijn niet dom, ze geloven me dus niet én terecht. Ik heb het gevoel hier voor het eerst wat de pedalen te verliezen. Hun enthousiasme van de voorbije lessen slaat hier plots om in overdreven gerichtheid op hun eigen vondst. Sommigen hebben er duidelijk thuis hard aan gewerkt en hebben volledige teksten geschreven, anderen komen met een vluchtig en nog wazig idee dat ze op de vloer niet echt kunnen tonen. Niet iedereen heeft zich ook even goed voorbereid.
Het tonen van het eerste idee voor de solo op de vloer vandaag is in mijn ogen teleurstellend : ik hoor héél veel tekst en zie bijna niets van beeld of actie op de vloer. Ze leggen niet uit zichzelf de link met beeld/actie/beweging, ondanks mijn vooroefeningen in de vorige lessen en de bewegingssequenties.
Ben ik te snel gegaan? Te vroeg gevraagd om een dit eerste idee te spelen/tonen op de vloer? Gaf ik ze te weinig richtlijnen over het hoe van dat tonen. Was ik toch te gericht op tekst door mijn schrijfopdrachten? Zette hen dat op het verkeerde spoor? Bovendien blijkt het tonen aan de hele groep dus ook voor veel twijfel te zorgen. Ze denken dat ze het niet goed genoeg gedaan hebben en/of dat anderen dit beter kunnen. Ik zeg er niets van, ik ben op dat moment te veel in de war. De leerlingen lijken bovendien enthousiast over een aantal ideeën, en ook dat baart me zorgen. Waarom vinden ze dit goed terwijl het eigenlijk best nog saai of een cliché is?
Ik ga meteen over naar de opdrachten die ik voor vandaag bedacht had. Met deze opdrachten hoop ik het collectieve van dit onderzoek opnieuw in de verf te zetten.
Improviseer met elementen uit de verhalen die we gehoord hebben. De voorwerpen mogen meedoen. Kies een element uit één van de solo’s/verhalen die je hoorde waarmee je iets wil doen en uitproberen. Dat kan alleen of met twee of meer. Gebruik wel geen tekst.
Ik laat hen allemaal samen de vloer op gaan en zet muziek op.
Speel de solo’s die we daarnet gezien hebben opnieuw, maar nu met zijn allen door elkaar. Je mag ook iets spelen van een andere solo als je daar zin in hebt of inspelen op iets wat je ziet gebeuren. Er is wel telkens maximum één iemand aan het woord.
Na deze opdrachten én door mijn vragen begint het hen te dagen dat ze ook kunnen spelen zonder iets te vertellen met woorden. Ik leg zelf een paar linken met wat ik gezien heb. Hoe Flavie iets deed met de brief van Gitte en dat ze dat in haar solo met de brief zou kunnen gebruiken, hoe Zoë iets deed met de leiband van Cléo en hoe Cléo dit zou kunnen gebruiken als ze het interessant vond.
Ik spreek ook van de spanning naar het punt van de verrassende wending, hoe het nu nog niet altijd écht verrassend is (zonder een bepaalde solo te viseren of te persoonlijk te worden). Ik vraag hoe dat komt en hoe ze het zouden kunnen oplossen. Ze reageren goed op elkaar en geven nu makkelijk ideeën voor elkaar. Dat werkt goed: ze zien het proces als een gedeeld verhaal en denken nu mee voor elkaar. De gezamenlijke improvisaties waarbij ze elkaars materiaal manipuleren, helpt om het creëren als iets collectief te zien.
Nadien ga ik daarom ook het gesprek aan over hoe ideeën kunnen ontstaan: bij jezelf, door contact met de ander, door iets te doen, door te laten gebeuren, door te freeweelen, etc. Ik hoop vooral te benadrukken dat ideeën dus niet uitsluitend in je eigen kamer of bij jezelf in je hoofd ontstaan. Niettemin hebben sommigen wel gewerkt thuis, en dat verschil was vandaag best goed te zien.
Het zeer vrij omgaan met materiaal (hergebruiken, weggooien, …) en het collectieve in maakprocessen zagen we tijdens observaties in het werkveld vaak voorkomen. Tanja beschreef dit ondere andere in het schrijfsel “Overdreven/Overdrijven” onder het hoofdstuk “Collectieve maakprocessen”. Ik probeerde dit ook te installeren in de lessen.