We vroegen voor een laatste experiment aan een tiental theaterdocenten en coaches van tien verschillende theaterwerkplaatsen om jongeren te begeleiden in een zelfstandig maakproces. Op 28 maart werd het werk van deze jongeren getoond op het Kaap_Knal_Interval bij Larf! in Gent. In de namiddag gingen de theatercoaches samen dwalen door de stad om expertise uit te wisselen over dit experiment. Na de dwaaltocht kwamen ze samen in Herberg Macharius om met een vijftiental andere theaterdocenten opnieuw in gesprek te gaan. Deze bezoekende theaterdocenten en -coaches uit verschillende theaterwerkplaatsen uit Vlaanderen en Nederland, kunsthumaniora en scholen uit het Deeltijds Kunstonderwijs hadden zich net als de dwalers verzameld in de herberg om dit ontmoetingsmoment mee te maken. Eerder in de namiddag waren deze bezoekers ook reeds in gesprek gegaan met elkaar. Sommigen van hen hadden al ervaring in het begeleiden van zelfstandige maakprocessen van jongeren, andere kwamen nieuwsgierig kijken, luisteren en vragen stellen.




© Joân De Bruyckere
Voor het gezamenlijke gesprek aan het einde van de namiddag hielden we een Octaviaanse discussie: een gespreksvorm waarbij iedereen uit de groep kan participeren en waarbij elke deelnemer de vrijheid heeft om te spreken of niet en dus ook gewoon kan luisteren. Een kleine dertig theaterdocenten en -coaches uit het werkveld kon elkaar op die manier ontmoeten en in gesprek gaan.
Vijf themakaarten werden gekozen als vertrekpunt. Deze kaarten waren het resultaat van de gesprekken tijdens de dwaaltocht die net achter de rug was én van de gesprekstafels die we hadden gehouden met de andere bezoekende theaterdocenten.
We hielden vijf rondes van acht minuten om over deze thema’s in gesprek te gaan. Om verder door te vragen. Om nieuwe vragen op te werpen. Om verder te dwalen. Of ergens te landen.
Aan één centrale tafel namen elke ronde vier (andere) theaterdocenten plaats. Dit waren de sprekers die graag iets wilden bijdragen over het thema dat in het midden lag. Daaromheen zaten alle andere theaterdocenten en coaches. Maar er stonden ook vier lege stoelen aan de tafel, waarop iemand uit de grote groep kon plaatsnemen om een vraag te stellen of om in te pikken op wat er net werd gezegd.
Even begon het wat aarzelend, maar algauw waren de stoelen steeds bezet en bleek acht minuten soms te kort om iedereen het woord te geven. Dus rinkelde het belletje soms ongenadig en kwam en er alweer een nieuw thema op tafel. Maar alles bleek uiteindelijk ergens toch samenhang te vertonen en niet los te zien van van elkaar. Het werd daardoor één lang en boeiend gesprek waarin vragen nieuwe vragen opwierpen, waarin tegenstrijdigheden een plaats kregen, waarin de complexiteit van dit werk aan de oppervlakte kwam én ook de hindernissen die opduiken in bepaalde contexten. Maar het ging ook over hoe we vaak hetzelfde ervaren, hoe we samen zoekend zijn om dit werk zo goed mogelijk te doen. En uiteindelijk ging het ook over de liefde, de liefde voor dit werk, voor de jongeren en voor de kunst.

Uit het gesprek selecteerden we een aantal inspirerende quotes. We kozen ervoor om ze te ordenen rond acht ‘nieuwe’ thema’s, onderwerpen die een opvallende en bijzondere aandacht kregen tijdens het gesprek. Thema’s die in ons onderzoek al vaker werden aangehaald door de docenten waarmee we spraken. Thema’s die we zelf ook onderzochten in de experimenten in onze eigen werkcontext. Thema’s om verder over na te denken omdat ze de kern raken van waar het in dit soort werk om draait.
SMAAK
Als je feedback geeft in een maakproces van een jongere, in hoeverre laat je meespelen wat je zelf interessant vindt in theater, wat je zelf goed vindt, laat je je eigen smaak dus meespelen?
Volgens mij helpt het net om hen mee te nemen in je smaak, ook zelfs veel ruimer dan enkel theater. Omdat je op die manier inkijk geeft in hoe jij het werk doet en waar jij inspiratie uit haalt. Dan kunnen ze zich daartoe verhouden, misschien vinden ze het zelf ook interessant, misschien niet. Dat kan bij aanvang, maar ook tijdens het proces, als ze bijvoorbeeld vastlopen of als je extra ‘voeding’ wil geven.
Ik vond het best wel spannend om dit soort werk te doen, want ik heb best wel een sterk oordeel en smaak en moest me vaak inhouden om daar niet te duidelijk in te sturen. Ik heb daar veel van geleerd.
Soms kan je je helemaal niet verbinden met wat de jongere wil maken omdat het bijvoorbeeld helemaal niets is waar je zelf voeling mee hebt. Soms zelfs in een soort van spanningsveld waarbij je helemaal aan de andere kant staat qua inhoud bijvoorbeeld. Je gaat dan kijken waar je vanuit je expertise wél kan helpen. Ik gebruik daarvoor de termen ‘hands on’ en ‘hands off’ . In zo’n geval waarbij je ver van de inhoud staat, is het dan voor mij op dat vlak ‘hands off’ en ik zeg dan ook expliciet dat ik daar niet echt in mee kan of iets toe kan bijdragen. Maar bij de vorm word ik dan bijvoorbeeld heel erg ‘hands on’, want dat is iets waar ik erg goed in ben, wat mijn kracht is.
Vaak worden coaches ‘gematcht’ met een jonge maker vanuit het idee dat ze affiniteit zullen hebben met elkaars werk, maar als dat niet zo is, is dit werk inderdaad best uitdagend én interessant. Want dan moet je heel goed nadenken over wat er vanuit je eigen referentiekader zinvol is om aan te reiken als je bijvoorbeeld niet heel erg thuis bent in de inhoud of de vorm waarmee de jongere bezig is. Je moet dan op zoek gaan naar ‘iets gezamenlijk’, waar kunnen we mekaar vinden en kan ik je helpen.
FEEDBACK
Je wil spelers niet onzeker maken als je feedback geeft, je gaat bijvoorbeeld niet zeggen “dit is slecht”, maar je wil ook niet te voorzichtig zijn. Een mogelijke oplossing is dan bijvoorbeeld toewerken naar actie. Je zegt ‘dit werkt nog niet’, maar ook ‘wat kunnen we eraan gaan doen’. Daardoor zorgt wat je zegt voor een soort van beweging, het zet de ander opnieuw tot actie aan.
Nieuwsgierigheid in wie de ander is en wat die doet is dan misschien een goed hulpmiddel om te weten te komen hoe je kan helpen.
Meestal lukt het me wel om tijdens zo een proces de juiste vragen te stellen, te benoemen wat ik zie, wat het met me doet en erover door te vragen. Maar er komt dan altijd een punt waarop ik denk ‘ik kan dit nu beter niet zeggen’ en ik vind dat heel moeilijk, mijn handen ervan afhouden.
Soms is het inderdaad ‘kak’ wat je ziet, want zij proberen wel iets te maken, maar hebben nog weinig expertise in maken en modderen dan soms wat aan. Ik heb voor mezelf geleerd om strategieën te ontwikkelen waarbij ik hen een richting uitstuur zonder expliciet te zeggen wat ze moeten doen of het als een richting te benoemen. Ik ga dan bijvoorbeeld heel veel vragen stellen. En ook, ik geef ik dan soms voorbeelden, maar dan niet gewoon een paar, maar bij wijze van spreken wel 100 mogelijkheden of als je wil ‘100 smaken’. En ik geef ook opdrachten zodat ze aan de slag blijven.
Ik geloof ook dat het begrenzen net veel vrijheid creëert. Door hen beperkingen op te leggen en deadlines moeten ze wel aan de slag en lukt het vaak beter.
Soms kijk ik naar echt heel slechte of slaapverwekkende dingen als jongeren bezig zijn en dan probeer ik daarin iets te ontdekken wat misschien waard is om verder te onderzoeken. Ik reageer dan eigenlijk wel een beetje als maker. Want die jongere kan bijvoorbeeld niet goed zingen of dansen, maar wat zie ik daarin wat wél interessant is om op verder te gaan.
DRAMATURGIE
Het ‘wakker maken van een dramaturgie’ vind ik ook erg belangrijk. Het gaat dan om het benoemen van de keuze die door de jongere gemaakt wordt én die bevragen: dit is wat je aan het doen bent, wat zijn daarvan de consequenties, zonder dat die dwingend hoeven te zijn, en hoe ga je dan daarin verder. Je geeft hen zo inzicht in de dramaturgie van wat ze aan het maken zijn. Ik vind dat heel interessant, ook in mijn eigen werk, omdat het soms er gewoon over gaat om te ontdekken wat ‘het werk zelf’ verlangt. Want misschien besef je daardoor plots bijvoorbeeld dat het ‘werk’ geen muziek verdraagt terwijl je je net had voorgenomen om met heel veel muziek te werken. Dramaturgische vragen stellen vind ik daarom heel belangrijk.
Ik denk dan vaak aan wat Jan Steen ooit zei: ‘Je deelt op het einde niet wat je gevonden hebt, maar wat je aan het zoeken bent.‘
TIJD
Tijdsdruk opvoeren kan helpen. Als je hen onder druk zet om iets te maken, schuif je ook die interne criticus aan de kant, die krijgt geen kans want binnen vijf minuten moet er iets geproduceerd zijn.
Tijd is een raar iets, want soms kan tijdsdruk ook heel belemmerd werken. Want ik besef soms dat er meer materiaal had kunnen ontstaan als ik hen meer tijd had kunnen geven. En dat je soms ook moet durven zeggen, ook al hebben we geen tijd, we gaan die tijd nu toch keihard nemen en we vertrouwen erop dat het goed komt. Ook al staan we bijvoorbeeld twee weken voor de opvoering. Dat vertrouwen geven om de tijd te nemen om iets ten gronde te onderzoeken, kan ook heel bevrijdend werken.
SPEL-PLEZIER
In mijn ervaring durven jongeren echt wel zwaarmoedig zijn en met zware thema’s op de proppen komen over de maatschappij, wat heel goed is, maar wat ook wel zorgt voor een ernstigheid en ‘zwaarte’. Ik probeer dan ook wel op zoek te gaan naar een soort luchtigheid en humor, zodat ze de lol van iets te maken en uitzoeken ontdekken en niet de hele tijd vastzitten in ‘het moet goed zijn’ en ‘het moet ergens over gaan’.
Hun interne criticus kan je zo even aan de kant schuiven zodat ze in het doen en uitproberen plezier hebben zonder dat ze al te veel vast zitten in ‘het moet meteen het juiste en goede zijn wat we vinden’. Het zoeken leidt vast wel tot iets, dat moeten we niet allemaal teveel al weten en vastzetten, het zal vast ergens over gaan op het eind. Het plezier van het spelen en zoeken is heel belangrijk.
Jongeren moeten soms opnieuw leren spelen, ze weten precies niet meer hoe dat moet. Ik ga dan bij wijze van spreken zelfs terug verstoppertje spelen zodat ze terug ontdekken wat spelen eigenlijk is en er terug zin in krijgen om dat te doen.
Wat ik ook wel doe is de jongeren wat proberen ‘onderuit te halen’, ze ontregelen en wat stoken, verwarring zaaien of plagen zodat er een soort van lol ontstaat en de druk wat van de ketel is en er goesting ontstaat om te spelen.
FAAL-, VAL- en VEL-PLEZIER
Ik zet ook wel in op ‘faalplezier’, zodat ze plezier krijgen in het niet slagen in iets, dat het ook plezant is als het niet lukt. De wereld gaat niet aan stukken als het niet lukt.
Het durven opzoeken van lelijkheid, het opzoeken van gelaagdheid, het vermijden van de voorzichtigheid, dat is heel interessant. Het is iets wat nodig is om ook tot plezier te komen: het durven aangaan van die vrijheid om niet goed te zijn, het niet te vinden, foute dingen te doen, …
Soms is een kutidee niet per se een kutidee en duurt het gewoon even om het potentieel ervan te ontdekken. Dan moet je soms even doorbomen en doorvragen om tot een soort essentie te komen die heel waardevol kan zijn om mee verder te gaan.
Falen vind ik een heel complex woord, want wat is falen? Waarom noemen we het falen? Misschien bestaat dat wel niet. Is er wel iets dat niet goed kan zijn? En introduceren we zo niet net terug dat iets goed en fout kan zijn.
Hoe benoem je het opzoeken van die diepere lagen? Dat is inderdaad niet ‘falen’. Voor mij gaat dat over kwetsbaarheid en ook wel lelijkheid durven opzoeken, kwetsbaar zijn.
En ook durven vallen. Vallen en opstaan. Ja… misschien wel ‘val-plezier’.
Er is naast valplezier en spelplezier, misschien ook wel het belang van ‘velplezier’: de nabijheid van de ander en het fysieke terug leren te omarmen. Durf eens terug in mekaars zone te komen, mekaar aan te raken.
Ik investeer heel veel in het begin van een proces, ik installeer veel rond spelplezier en vertrouwen en neem dan gaandeweg meer afstand.
Bij mij is het net andersom, ik ga meer van buiten naar binnen. Ik vertrek meer vanop afstand en kom dan steeds dichterbij.
VOORZICHTIGHEID?
Ik zie hier staan ‘vermijd voorzichtigheid in feedback’. Dat vind ik wel interessant omdat ik net heb geëxperimenteerd met eens geen negatieve feedback meer te geven, dus alleen benoemen wat je goed vindt werken en aan hen vragen wat ze zelf willen veranderen en hoe ze dat gaan proberen. En ook daarin ging ik dan geen oordeel vellen, ik vond dat dan prima. Dat is voor mij net wél zeer voorzichtig zijn met feedback.
Ik ben zelf ook heel geneigd om voorzichtig te zijn, maar soms vind ik dat mensen té voorzichtig zijn. Als je iets ziet dat je écht niet goed vindt, moet je dat misschien wel meteen durven zeggen.
Ik vind dat je helemaal jezelf moet kunnen zijn. Dat er niet van je gevraagd mag worden waarop je allemaal ‘moet’ letten en waarmee je rekening moet houden. Ik vind dat vervelend, dat ‘moeten oppassen’. Ik zie mezelf als iemand die op dezelfde lijn staat als hen. Dat ‘niet voorzichtig zijn’, als dat in je aard ligt, dat moet je dan misschien niet proberen verstoppen. Als het er dan ‘over is’, dan leren we daar samen wel mee omgaan, als mensen onder elkaar.
Ik denk dat hoe meer jongeren eigenaar zijn over hun proces en over wat ze aan het maken zijn, hoe eerlijker je kan zijn in je feedback. Als ze zelf echt kunnen ervaren dat ze verantwoordelijk zijn voor hun werk en over elke fase daarin, dan kan je als begeleider ook eerlijk en transparant zijn in wat je hen wil meegeven. Maar je moet het wel duidelijk installeren dat zij weten dat ze zelf de verantwoordelijkheid krijgen over hun werk(proces).
LIEFDE
Als er liefde is en vertrouwen kan je eigenlijk wel perfect ook even meteen zeggen dat iets niet goed ik. Als jongeren doorhebben doordat je dat vertrouwen hebt opgebouwd en ze weten dat je het met liefde zegt, dan kan je zowel zeggen dat je iets heel goed vond als dat je aan iets echt niets vond. Ik houd me dan niet in en flap het eruit. Ze hebben dan wel door dat dit niets over hén zegt, want dat je het in beide gevallen met veel liefde zegt over wat ze aan het proberen zijn.
Het lijkt me inderdaad ook essentieel dat je je eigen temperament kan behouden in dit soort processen zodat er een soort van intimiteit en vertrouwen ontstaat.
Het heeft te maken met de liefde waarmee je kijkt. Ik word ook altijd als het ware verliefd op al die jongeren tijdens zo’n proces.
Jongeren willen zoals iedereen graag gezien worden en dat doe ik dus. Ik probeer jongeren echt ‘te zien’ en hen het gevoel te geven dat ik iets ‘in hen zie’. Ik probeer te zien wat zij goed kunnen en waar ze sterk in zijn. Wie ben jij en wat wil jij? Met veel liefde naar hen kijken, dat is voor mij essentieel.
Ook de stem van de jongeren die deelnamen aan dit experiment kan je horen in onze rubriek Aan het woord. ’s Avonds toonden deze jongeren hun werk op het Kaap_Knal_Interval! bij Larf!

Met dank aan alle deelnemende theaterdocenten en -coaches tijdens dit ontmoetingsmoment en in het bijzonder de theaterdocenten die de jongeren begeleidden voor het Kaap_Knal_Interval van 28 maart 2024:
Janni Van Goor (Secundair Kunstinstituut Gent), Jorg Van den Kieboom (39Graden), Jarne van Loon (SAMWD Zottegem), Mathias Van der Goten (KAAIMAN), Anima Oscar Cassamajor (BRONKS), Dirk De Lathauwer (fABULEUS), Adanma Okoro (DEGASTEN), Simon De Vos (MOB), Johannes Lievens (Larf!), Mira Bryssinck en Barbara Claes (Victoria Deluxe).

LEES MEER























